Tell (a) Tale

15.06.2023

Op bezoek

Het atelier dat naar strijkijzer ruikt

Jakob Akemann bezoekt Frida Berntsen

In het centrum van Arnhem staat een groot leegstaand brutalistisch rijksgebouw leeg. In de voormalig kantoorruimtes van dit pand zijn ateliers voor kunstenaars gemaakt. Waaronder die van Frida Berntsen: het atelier dat naar strijkijzer ruikt, waar zijden doeken met gekleurde vlekken in de zon hangen te drogen, damast tafelkleden met donkerblauwe afdrukken aan de muur hangen en de kasten vol kitscherig glaswerk staan.

 

 

 

 

 

 

 


Na haar
afstuderen 
 had Frida de luxe veel uitnodigingen te ontvangen voor deelname aan exposities. In het atelier waar we zitten voelde ze zich nog niet echt op haar gemak, toen ze door Fenne Saedt werd gevraagd een tentoonstelling bij RUIS te maken. Haar werken waren verspreid over het land in verschillende expositieruimtes en Fenne had haar gevraagd of ze nieuw werk wilde maken voor deze expositie. Die expositie bij RUIS vormde een stok die ze achter haar atelierdeur kon zetten waardoor ze eindelijk hele dagen aan de slag ging en er nieuwe ideeën opborrelde. Na de expositie zei ze tegen Fenne “Het is bijna jammer dat het zo snel was, want ik heb nu het gevoel dat ik een paar werken heb gemaakt waarvan ik dacht: die had ik wel graag ergens laten zien.” Ze probeert sindsdien een hoop nieuwe dingen uit. Zo smelten bijvoorbeeld vorm en inhoud steeds verder samen. “Vergankelijkheid zat er altijd wel in, maar het is nu niet meer alleen een thema maar ook echt een manier van werken geworden.” In RUIS komen de experimenten en onderzoeken waar kunstenaars al mee bezig waren, in een stroomversnelling terecht, zodat de kunstenaar er zelf ontwikkeling uit haalt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maken is een manier van denken. Haar kunst gaat over vergankelijkheid en verval, maar in het dagelijks leven is Frida Berntsen helemaal niet veel bezig met het vergankelijke. Ze doet normale dingen: haar huis poetsen, koken, bier drinken, maar waar komt deze fascinatie dán vandaan? “Geen idee,” zegt ze in eerste instantie. “Ik denk dat kunst maken voor mij een manier is om mijn dagelijks leven te verwerken en grip te krijgen op de wereld. Voor de show bij RUIS ben ik veel gaan tekenen, zo kan ik in beeld nadenken en zoeken naar vormen die werken.”  En dat is dus wat ze met haar praktijk doet, nadenken om grip te krijgen. Bij sommige kunst kan dat over iets heel knulligs gaan, bij andere over iets heel groots. Bij haar is dat vergankelijkheid. “Ik vond het wel spannend om dat te delen. Het is eigenlijk iets heel intiems om je gedachten zo aan iedereen te laten zien,” voegt ze daaraan toe, “en het is interessant om dat eens serieuzer te nemen.”

Ze haalt een kunstwerk tevoorschijn, wat ze tegen het eind van de show bij RUIS heeft gemaakt. Het is een gespannen stuk zijden waarop ze gouache, zeefdruk, ecoprint en textielverf over elkaar heen heeft gebruikt. De achtergrond wordt belangrijker, je kunt voelen hoe dun en kwetsbaar het materiaal is. Zijde is zo dun als een gedachte, het lijkt soms bijna te verdwijnen. Dit werk heeft niet zo zeer een onderwerp, maar toont voor Frida die gedachtegang.

 

 

 

 

 

 

 

 

 


“De waarde van een object, is de kennis dat het tijdelijk is.” 
Dat is de essentie van waar haar werk over gaat. Het is een cliché, vindt ze, maar dat is het niet voor niets. Ze vertelt hoe ze op de kunstacademie met textielkunst is begonnen. “Ik kwam een oud gequilten babydeken van mijn oma tegen, die lag in mijn kast. Als er brand zou zijn, zou dat het eerste zijn wat ik mee zou nemen. Ik kan er niet meer onder liggen, het is zo’n klein ding.” Ze geeft met haar handen het formaat van een babydeken aan. “Het past ook niet meer in de stijl van mijn huis, maar de hoeveelheid aandacht en liefde die zij (mijn oma) heeft gestopt in het maken van dit deken, ontstijgt op een manier de materiële waarde. Ik heb toen ook een tijdje gequilt, maar het gaat niet om de handeling, het gaat om het verhaal van het object. Dat is wat het waarde geeft, dat bepaalt of je iets in de hoek van een kamer kunt gooien, of dat je er voorzichtig mee moet zijn.”

Er staat een grote koffiepan uit haar oma’s dorpscafé op een kookplaat op de grond van haar atelier. Ik heb zelf in een paar keukens gewerkt, maar zo’n grote pan had ik nog nooit gezien. Ze gebruikt de pan voor haar ecoprints. Ze heeft er zelf een hele ecoprint-stoom-installatie van gemaakt met een rekje en zelfgemaakte persen en gewichten. Ze stoomt daar linnen of zijden doeken met planten in om een afdruk te krijgen. Van haar oma’s dorpscafé heeft ze nog veel meer “oude meuk” meegekregen. Veel van haar damasten tafelkleden, lompen en gebrande kitscherige jaren tachtig glaswerk komen er vandaan. Maar ook heel veel van dat glaswerk komt uit de tweedehandswinkel. Haar kast staat helemaal vol. Ze wijst me op wat kartonnen dozen vol nog meer glas dat net terug is uit een show in Duitsland.

In hetzelfde gebouw heeft Frida toegang tot een enorme leegstaande (geblindeerde) ruimte waar voorheen de archieven waren. Deze plekken kan ze gebruiken als een soort enorme donkere kamer voor haar cyanotypes. Deze ruimte is waar ze damasten kleden, bedekt met glaswerk, onder grote zonnebanken met UV-lampen belicht.

De Orchidee, Luc Tuymans, 1998

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Haar tentoonstelling bij RUIS heette ‘bijna niets’,
 naar het gelijknamige boek van haar favoriete filosoof Cornelis Verhoeven. Dat boek is een luchtige, simpele manier van ingewikkelde dingen benaderen en dat kan Frida erg waarderen. Ze leest de achterflap voor. Die begint met: “Het is vrijwel ondenkbaar dat twee mensen ruzie krijgen omdat de één wel en de ander niet van augurkjes houdt. Een verschil in smaak wordt oneindig makkelijker verdragen dan een verschil in oordeel.”

Ik vraag haar welke kunstenaars ze nog meer leuk vindt. Luc Tuymans is een kunstenaar waar ze wisselende meningen over heeft, maar ze vindt dat hij zo goed kan inkaderen en focus leggen in beeld. “Mijn eigen beeld is vaak heel chaotisch.” Tuymans neemt vaak politieke en maatschappelijke onderwerpen, maar werpt meer vragen dan antwoorden op. “Als een kunstwerk een soort rebus wordt die je op kan lossen, vind ik het vaak saai zodra ik het snap.” De orchidee van Luc Tuymans is haar lievelingswerk. Het is een heel simpel concept: een orchidee is zowel mannelijk als vrouwelijk en kan dus zichzelf bestuiven. Het ontstijgt het binaire denken. Ze laat het werk in een boek zien en wijst me op de kleurvlakken. “Technisch en esthetisch zit het zo slim in elkaar dat er eigenlijk niets te veel is. Ik hou erg van kunstwerken waar je langer naar moet kijken om alle betekenislagen te zien. Kijken naar kunst is een trage manier van kijken die ik erg prettig vind. Ik vind het fijn wanneer een werk zich langzaam ontvouwt. Dit is iets wat ik in mijn eigen kunstpraktijk ook probeer te bewerkstelligen.”

Ook Esther Tielemans inspireert haar. Die maakt schilderijen van ramen. Ze schildert op specifieke locaties hoe het licht er op verschillende momenten van de dag doorheen valt. Dat vastleggen van iets tijdelijks – momentopnames van iets dat nooit meer terugkomt, in combinatie met het alledaagse – doet mij sterk denken aan Frida’s eigen kunst.

 

Frida studeerde in 2022 af aan BEAR (fine arts) ArtEZ Arnhem en toonde haar werk bij RUIS in de tentoonstelling ‘Bijna Niets’ van 27 januari tot en met 11 maart 2023.